17. sep, 2020

Misty water-colored memories of the way we were

Ik kwam ergens op Facebook een foto tegen, van de Henegouwerlaan, toen dat nog een Kraamkliniek was en ook de rijkskweekschool voor vroedvrouwen. En wel uit de tijd toen ik daar heel veel kwam, in 1968. Goh, daar kwam ik even met een klap terug in de tijd door! Niet te geloven dat dat zomaar kan! Maar het kan. Oh wat was ik toen blij en gelukkig! Na meer dan 6 jaar wachten, kwam er eindelijk toch een broertje of een zusje bij! Ik lag met mijn hoofd op mama’s buik en schaterde het uit als de baby me dan een schop voor mijn hoofd gaf. Het staat me nog altijd bij. De positiejurk, want toen had je nog speciale zwangerschapskleding, die ik nog herinner is van een soort van azuurblauw met een kraagje met een wit kanten randje. Ze hd er wel meer hoor, maar die staat me bij. 

Ik was in de wolken, ik zou niet meer alleen zijn, samen met mijn beer dan wel natuurlijk. Want Beer was heel belangrijk voor mij, daar was mijn ome Ben wel achter gekomen, toen hij terug naar Epe moest om de vergeten beer op te gaan halen. Daar werd ome Ben niet vrolijk van! Ik wel want ik sloot huilend mijn zo geliefde Beer weer in mijn armen. Pas toen kon ik weer slapen. En nu zou ik dan toch echt een klein broertje of zusje krijgen. Mijn moeder en oma en opa zongen altijd liedjes met ons, en eentje daarvan ging over een kindje, die boos was op de ooievaar. Die had het een baby gebracht en dat vond dat kind helemaal niet leuk.

Ooievaartje, lepelaartje, ik ben niets tevreden, met het kindje dat je bracht, juist een week geleden. Weet je dat het heel niet praat, en niet eens kan lopen? Dat het telkens schreien gaat, met het mondje open! Nee, ik wil dat kindje niet, ik wil een ander kindje. Net zoals die jongen, Piet, weet je wel mijn vrindje. En ik zong dat natuurlijk uit volle borst mee. Vaak zittend op de tafel, met mijn armpjes om hun nek. Dat vond ik heerlijk altijd! En nu kwam mijn allergrootste wens uit, een broertje of zusje erbij! Alleen jammer dat de vader van het kindje opeens niet meer in spel was maar daar had ik geen last van. Mijn moeder wel, neem ik aan, ik was alleen te klein toen, omdat door te hebben. In de jaren 60 vonden ze daar allemaal wat van en aardig was dat niet.

De tijden zijn hard veranderd en dat is maar goed ook. Daarom kan ik soms nog wel eens schrikken, als je toch van die rare al lang achterhaalde meningen bij mensen tegen komt. Alleen toen was het gewoon het normaal. Het leuke van alles was ook nog wel, dat mijn moeders beide schoonzussen ook een kindje zouden krijgen. Dus alle 3 de dames waren tegelijkertijd zwanger. Oh en mijn moeder was altijd al gek op kindjes dus dat zou een enorme luxe worden met 3 baby’s er zowat in ene keer bij. Ergens ging er opeens iets mis bij de zwangerschap van mijn moeder, en werd ze opgenomen op de Henegouwerlaan, de kraamkliniek. De eerste keer dat ik op bezoek ging, met oma en opa, zal ik nooit vergeten. Ik heb er 52 jaar later nog een antipathie door gericht op ziekenhuizen en de geur van lysol.

Het zal ermee te maken hebben gehad met hoe klein ik zelf wel niet was, maar ik herinner me de enorme hoge en lange, donkere gangen. Het leek wel alsof ik uren moest lopen, voordat ik dan eindelijk bij de kamer van mijn moeder kwam. Daar lag ze met haar dikke baby buik en ik kroop op bed dicht tegen haar aan. Ik durfde zowat niet adem te halen, zo eng vond ik het daar. In die tijd werd er aan een kind dan ook helemaal niets verteld. Niet wat er aan de hand was, waarom mijn mama opeens niet meer thuis was en daar moest slapen. Niets wist is, en dat maakt je dan bang.

Ze vertelden me alleen dat het voor de baby beter was, dat mama niet uit bed zou komen en dat ze daarom daar lag. Dat haalde mijn angst niet weg. Ik had Beer nog nooit zo hard nodig gehad, want door Beer voelde ik me altijd veilig en niet zo alleen. Toen kwam de keer, dat ik weer met oma en opa mee ging, maar het voelde anders. Oma huilde en opa hield alleen maar met een strak gezicht mijn handje vast. Kinderen zijn niet achterlijk, die voelen juist exact dat er dingen niet kloppen. En als je ze dan niets verteld, dan groeit hun angst tot ongekende hoogten.

Zo ging dat nu ook met mij. Ik vroeg wat er was maar oma zei dat ik niet moest zeuren en dan zweeg ik maar weer. Met mijn hart in mijn maag liep ik weer die enge donkere gangen door. Alsof je door zo’n spookkasteel loopt, waar je ieder moment door de een of andere geest kan worden meegetrokken in de donkere krochten van het gebouw. Mijn moeder lag huilend op haar zij en daar breekt je kinderhartje van, dat kan ik nog zo weer voelen. Ze wilde niet naar mij kijken en dat brak het laatste stukje hart ook. Ontroostbaar was ze.

Eindelijk vertelden ze me, dat ik een broertje had gekregen, dat hij Leon heette maar dat hij vlak voor hij geboren werd, gestorven was. Ik weet nog dat ik niet kon huilen, en het leek erop alsof ik ook niet meer kon voelen. Ik was totaal bevroren. Verder weet ik niets meer eigenlijk. Wat ik weet, weet ik van de jaren erna, als er dan wel eens dingen verteld werden. Mijn droom, een baby erbij, ging in rook op. Mijn twee tantes kregen niet lang erna respectievelijk een zoon en een dochter. Ik groeide op met mijn nichtje er vaak bij, die was gek op mijn moeder. En ik logeerde ook wel eens bij tante Wil en ome Ben, om ook bij haar te kunnen spelen.

Pas later, veel later, toen ik een fotoalbum aan het maken was, voor mijn moeders 70e verjaardag, en ik daar een stuk voor ging schrijven, drong het pas echt tot me door, toen ik over deze periode schreef, hoe zwaar ze het moest hebben gehad. Want als je zo gek bent op kleine kindjes, en je verliest je eigen kind, maar je 2 schoonzussen hebben twee wolken van kindertjes, dan moet je hart elke keer een steek hebben gehad, als je die zag. Natuurlijk zou mijn moeder mijn moeder niet zijn, als ze niet hartstikke gek op die kindjes was geweest, maar toch, diep van binnen, zal het pijn hebben gedaan. Dat kan bijna niet anders.

Ik weet dat ze de baby nooit heeft gezien, dat wilden de dokters niet. Zo ging dat in die tijd. Omdat mijn moeder visioenen had over mismaakte baby’s, stond mijn opa erop, en mocht hij de baby zien. Mijn moeder kon er alleen maar vanuit gaan wat mijn opa haar vertelde; ‘een flinke jongen, met blonde krulletjes en roze wangetjes’. En daar was ze zo gelukkig mee. Wat vreselijk moet het voor haar geweest zijn, besefte ik me veel te laat. Ik heb het in dat verjaardags-album wel benoemd, want het raakte me nog steeds. Ik heb aan haar nooit wat gemerkt, toen, wel weet ik dat ze elke verjaardag aan hem dacht, hoe hij geweest zou zijn, hoe anders ons leven dan geweest zou zijn. En eerlijk gezegd, dat heb ik ook vaak gedaan. Om er voor mij te zijn, verborg ze al haar verdriet, en dat is zoals mijn moeder was ten voeten uit; de kleine kinderen gaan voor, altijd.